uitschieten
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (intr) een onbedoelde plotselinge beweging makenHeeft Lobbes je uitgelegd hoe het precies zit? Hoelang hij hiermee al rondloopt, of het een bevlieging is ofm' Haar hand schiet plotseling uit naar de haverkoekjes die op tafel staan.
- (figuurlijk) (intr) heftig uitvallen
- (scheepvaart) (van de wind) plotseling harder worden
- uitlopen, spruiten
- (voetbal) (ov) (de bal) het veld intrappen
- (ov) door schieten wegnemen
- (ov) naar buiten gooien, vieren
Vertalingen
Engelsbud
Duitsausschießen, hochschießen
Spaansabotonar, saltar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek