uitrustingsstuk
vrouwelijk (de)/ˈœytrʏstɪŋˌstʏk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (militair), (techniek) elk van de zelfstandig bruikbare bestanddelen van een wapenrusting, scheepsuitrusting of van een werktuigIn het gras lag een uitrustingsstuk van een graafmachine, en wel een zg. slotenbak.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek