uitrustingsstuk

vrouwelijk (de)/ˈœytrʏstɪŋˌstʏk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. militair, techniek (militair), (techniek) elk van de zelfstandig bruikbare bestanddelen van een wapenrusting, scheepsuitrusting of van een werktuig
    In het gras lag een uitrustingsstuk van een graafmachine, en wel een zg. slotenbak.