uitrijverbod

onzijdig (het)/ˈœytrɛɪvərbɔt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) periode waarin boeren geen mest mogen uitrijden op hun land, meestal door strenge regels om milieuvervuiling (ammoniak, uitspoeling naar water) te beperken, bijvoorbeeld bij bevroren, besneeuwde of drassige grond, en rondom waterlopen, wat vaak geldt in de wintermaanden (september-januari)