uitrijden
/ˈœytrɛidə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) rijdend weggaan, rijden verlatenZij waren uitgereden om de vijand de pas af te snijden.
- (ov) rijdend voltooienHij heeft de rit wel uitgereden.
Vertalingen
Spaanssalir
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek