uitrijden

/ˈœytrɛidə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) rijdend weggaan, rijden verlaten
    Zij waren uitgereden om de vijand de pas af te snijden.
  2. ov (ov) rijdend voltooien
    Hij heeft de rit wel uitgereden.

Vertalingen

Spaanssalir