uitpraten

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. niets meer te vertellen hebben
    Na uren zijn we nog niet uitgepraat.
    Hij raakte niet uitgepraat over zijn hobby.
  2. zonder onderbreking een verhaal afmaken
    Laat u me even uitpraten?
    Maar dat ze me niet lieten uitpraten. Daar ging het mij om. Ik wilde gewoon uitpraten. De zaken uitpraten. Uitpraten. Mijn zegje doen. Wat konden mij die badkamerproducten schelen? Ik wilde alleen maar geld. Geld, in ruil voor het acht uur lang aanprijzen van badkamerproducten. Laat me dan toch uitpraten! {{Aut|Sandes, David
  3. iets bespreken tot er een conclusie getrokken wordt
    We hebben het probleem uitgepraat.