uitleggen

/ˈœytlɛɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ditr (ditr) iets doen begrijpen; iets verklaren; iets begrijpelijk maken
    De leraar ging de leerstof aan de leerlingen uitleggen.
    Albert kon haar wel duizend keer uitleggen dat dat er niets mee te maken had, zijn moeder was niet van het soort dat zomaar van mening veranderde, zij vond altijd weer andere voorbeelden en redenen, en had er een hekel aan ongelijk te hebben; ook in haar brieven kwam ze nog steeds terug op dingen van jaren geleden, het was doodvermoeiend. {{Aut|Lemaitre, Pierre
    'Billy heeft grootse plannen,' zei ze bijvoorbeeld, zonder ooit uit te leggen wat die plannen precies inhielden, en ik had het gevoel dat zij er eigenlijk ook geen enkele rol in speelde.
  2. ov (ov) iets groter, langer of ruimer maken
    Hij zou dat kledingstuk voor ons uitleggen.
  3. ov (ov) iets leggend uitspreiden
    Zij ging gisteren de loper uitleggen voor de directeur van het bedrijf.

Vertalingen

Engelsexplain, let out, spread
Fransexpliquer, élargir, allonger
Duitserklären, darlegen, auslassen
Spaansexplicar, alargar, ensanchar
Italiaansspiegare, allargare, stendere