uitkopen

/œytkopə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) door geld afkopen, iemand geld betalen om daardoor bepaalde rechten te verwerven of van bepaalde verplichtingen ontslagen te zijn, bijvoorbeeld als aandeelhouder iemands rechten als deelhebber afkopen
  2. ov (ov) (een winkel)) geheel leegkoopen
  3. ov (ov) (een voorraad) geheel opkoopen
  4. iemand geld betalen zodat hij zijn bedrijf stopt
    De eerste en rigoureuste optie: uitkopen. Hierbij stoppen boeren met hun bedrijf en ontvangen zij daar geld voor. Hiervoor zijn twee regelingen opgezet: een landelijke en een provinciale.
werkwoord
  1. refl (refl) zich vrijkopen, afkopen

Vertalingen

Duitsabfinden, entschädigen, loskaufen