uithalen

/ˈœythalə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) (iets ~) een opmerkelijke daad plegen
    Hij heeft weer flink kattenkwaad uitgehaald.
  2. ov (ov) (iets ~) een brei- of haakwerkje ontdoen
    Ik heb een stuk weer uitgehaald omdat ik een steek had laten vallen.
  3. inerg (inerg) (~ naar) een slag doen, al of niet overdrachtelijk
    De dominee van de kandidaat haalde flink naar zijn eigen kerkgenoot uit.
  4. iets nemen of ontvangen
  5. ov (ov) leeghalen

Vertalingen

Duitsherausholen