uithalen
/ˈœythalə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (iets ~) een opmerkelijke daad plegenHij heeft weer flink kattenkwaad uitgehaald.
- (ov) (iets ~) een brei- of haakwerkje ontdoenIk heb een stuk weer uitgehaald omdat ik een steek had laten vallen.
- (inerg) (~ naar) een slag doen, al of niet overdrachtelijkDe dominee van de kandidaat haalde flink naar zijn eigen kerkgenoot uit.
- iets nemen of ontvangen
- (ov) leeghalen
Vertalingen
Duitsherausholen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek