uitgaaf

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈœytxaf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. financieel (financieel) uitgave
    Ze moesten ten eerste wat meer op de uitgaven gaan letten, ten tweede had het geen enkele zin dat hij als oude man alleen aan de ene kant van de Kâllvâgen in een groot en comfortabel huis zat terwijl zijn bijna even oude broer zijn heil moest zoeken in het Grand Hotel vijf minuten verderop? Zo waren ze dat overeengekomen.

Etymologie

* afgeleid van uitgeven