uitbraak
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈœydbrak/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het plotseling stijgen van een koers op de aandelenmarkt
- het plotseling optreden van een besmettelijke ziekteDe uitbraak van Ebola heeft veel levens geëist.
- uitbarsting van een vulkaan
- vlucht, ontsnappingIvan Perisic dompelde Spanje in rouw vlak voor tijd, nadat hij doelman David De Gea in de korte hoek versloeg na een snelle uitbraak vlak voor tijd. NRC 22 juni 2016
Etymologie
samenstelling van uit en van breken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek