uitbijter
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- uitzondering
- (statistiek) getal of gegeven dat niet tot een grotere groep behoort
- (geologie) klein gebied van jongere gesteenten dat omgeven is door oudere gesteenten
- knorrepot, bullebak, zuurkijker, vitter, iezegrim
Etymologie
* van uitbijten
Vertalingen
Engelsoutlier
Spaansvalor atípico
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek