uitbenen
/ˈœydbenə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) het been uit (het vlees) halenHij was het vlees aan het uitbenen.
Etymologie
*samenstellende afleiding van uit (bijwoord) en been bot dat een werkwoord vormt
Vertalingen
Engelsbone
Fransdésosser
Duitsentbeinen, ausbeinen
Spaansdeshuesar, desosar
Italiaansdisossare
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek