uitbater

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die een winkel of andere gelegendheid draaiende en open houdt
    De uitbater van het café zorgt voor de inkoop en verkoop van dranken en dat het café schoon blijft.
    De uitbater van een winkel is vaak ook de eigenaar van de zaak.
    Het is een hart onder de riem in een moeilijke periode, ervaren ze. Anwar en Jolanda Abdellaziz, die moeten stoppen als uitbaters van leescafé De Meridiaan in de bibliotheek, zijn bedolven onder steunbetuigingen.Tubantia 20-JANUARI-2017 [https://www.tubantia.nl/almelo/gasten-steunen-uitbaters-leescafe-de-meridiaan~a4e3766b/ Gasten steunen uitbaters leescafé De Meridiaan]

Etymologie

* van uitbaten