uil
mannelijk (de)/œyl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) benaming voor vogels uit de orde , roofvogels die vooral 's nachts jagen; onderverdeeld in twee families: en
- (vlinders) benaming voor vlinders uit de familie , nachtvlinders waartoe meer dan 25.000 soorten behoren
- (informeel) (pejoratief) dom persoonEen uil van een vent.
Etymologie
* In de betekenis van ‘uilachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- beter met de uil gezeten dan met de valk gevlogen,
- ieder meent dat zijn uil een valk is
- [[elk meent zijn uil een valk te zijn — Elk meent zijn uil een valk te zijn]].|Elke ouder denkt dat zijn kind het beste is.
- een uil vangen — een grote strop hebben
- uilen naar Athene dragen — nutteloos werk verrichten
- een uiltje knappen — een dutje doen
Vertalingen
Engelsowl
Franshibou, chouette
DuitsEule
Spaansbúho, lechuza
Italiaansgufo
Portugeescoruja, mocho
Russischсыч, сова
Japans梟
Turksbaykuş
Poolssowa
Zweedsuggla
Deensugle
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek