twintig
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈtwɪntəx/
Betekenis
telwoord
- "20", het getal tussen negentien en eenentwintig, twee maal tien
- om een hoeveelheid aan te gevenDe totale kosten bedragen twintig euro en zevenendertig cent.Op de sporadische brieven die voor haar kwamen, gewoonlijk van de bank in Kramfors, werd ze aangesproken met 'Juffrouw Britta Karlsson'. Ze zag er zonder meer uit alsof ze nog geen veertig was. Als ze een zoon had die in de twintig was, zou ze hem dus moeten hebben gekregen op zestien- à zeventienjarige leeftijd.
- om een plaats in een volgorde aan te gevenHet juiste antwoord op opgave twintig is "42".
- om een leeftijd aan te gevenMet mijn 43 jaar was ik duidelijk de oudste van het stel, de rest leek ergens tussen de twintig en vijfentwintig.
zelfstandig naamwoord
- dat wat in een (rang)ordening met 20 is aangeduidHet is weer de twintig die het niet doet, kunnen we die niet simpel vervangen?Haar eenentwintigste verjaardag was een belangrijk moment, want haar leven werd heel anders toen ze de twintig eenmaal voorbij was.
- groep van 20 eenhedenDe twintig zijn natuurlijk blij, maar laten we ook denken aan het verdriet van de vier die zijn afgewezen.
Etymologie
*van Middelnederlands "twintich", als telwoord voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236; afgeleid van een oude vorm van "twee"
Uitdrukkingen
- in de twintig
Vertalingen
Engelstwenty
Fransvingt
Duitszwanzig
Spaansveinte
Italiaansventi
Portugeesvinte
Russischдвадцать
Chinees二十
Japans二十
Turksyirmi
Poolsdwadzieścia
Zweedstjugo
Deenstyve
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek