tweezaadlobbige
mannelijk (de)/ˈtwezatˌlɔbəɣə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- benaming voor bloemplanten die horen tot een grote groep waarvan veel soorten gekenmerkt worden door zaden met twee kiemlobben
Etymologie
*: afgeleid van "tweezaadlobbig"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek