tweevleugelige
mannelijk/vrouwelijk (de)/tweˈvløɣələɣə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) benaming voor insecten uit de orde , waartoe vliegen en muggen behorenZij vliegen, zoemen, snorren, zijn gezeten, boren, drinken, een tweevleugelige, ‘niet van zins onze huid te verlaten dan vol van ons hartbloed’.
Etymologie
*: "tweevleugelig" met de uitgang -e
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek