tweevleugelige

mannelijk/vrouwelijk (de)/tweˈvløɣələɣə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) benaming voor insecten uit de orde , waartoe vliegen en muggen behoren
    Zij vliegen, zoemen, snorren, zijn gezeten, boren, drinken, een tweevleugelige, ‘niet van zins onze huid te verlaten dan vol van ons hartbloed’.

Etymologie

*: "tweevleugelig" met de uitgang -e