tweesprong
mannelijk (de)/ˈtwesprɔŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- plaats waar een weg zich in tweeën splitst
- (figuurlijk) voor een beslissende keuze staanDe regio staat op een tweesprong en de EU kan ertoe bijdragen dat zij de weg van vrede en hervorming inslaat.
Etymologie
* In de betekenis van ‘wegsplitsing’ voor het eerst aangetroffen in 1567
Vertalingen
Fransfourche
DuitsAbzweigung, Gabelung, cross-roads
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek