tweekleppige

mannelijk (de)/tweˈklɛpəɣə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) benaming voor waterdieren uit de klasse
    Verder stroomopwaarts, bij Chelsea, hebben we de schelpen van een uitgestorven soort tweekleppige uit de Nieuwe Steentijd gevonden.
    Oesters zijn tweekleppige en tweeslachtige weekdieren.

Etymologie

**: terugvorming uit "tweekleppigen"