tweeënhalf

/ˌtwejənˈhɑlᵊf/

Betekenis

telwoord
  1. breukgetal (breukgetal) de breuk 2½; twee en een half
    Hij is na tweeënhalf jaar gestopt.
    Ik ben tweeënhalve kilo aangekomen.

Etymologie

* samenstelling van twee, en en half