tweeën

/ˈtwejə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. van twee: bij tijdsaanduidingen na voorzetsels
    Het liep tegen tweeën.
    Omdat ik ergens vrees dat het feit dat ze met z'n tweeën zijn op de een of andere manier niet 'eerlijk' uitvalt.
    Maar geen van tweeën kreeg méér dan dat.

Uitdrukkingen

  • Ze waren met zijn tweeën.Zij waren twee in getal.
  • Met z'n tweeën gingen ze wandelen.De twee van hen gingen samen te wandel.