tuinbroek
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈtœymbruk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) een mouwloze overal met gespenEen tuinbroek werd in de jaren 1970 veel gedragen door geëmancipeerde vrouwen.Tijdens het liften naar het boerendorp Trout Lake, verscholen in de bergen van Washington, werd ik opgepikt door een vriendelijke, oude man in een versleten tuinbroek, houthakkersoverhemd en een pistool aan zijn riem.
Vertalingen
Engelsdungarees
Franssalopette
DuitsLatzhose
Zweedssnickarbyxor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek