trut

vrouwelijk (de)/trʏt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheldwoord, pejoratief (scheldwoord) (pejoratief) weinig aantrekkelijke en overdreven preutse vrouw
    Wat moet je toch met dat stel trutten?
    Omdat vooral (oudere) vrouwen graag achter het stuur van een DAF-wagen zaten, kreeg de auto in de volksmond de grove bijnaam truttenschudder (soms met de toevoeging met jarretelaandrijving)
  2. vagina

Etymologie

* In de betekenis van ‘zeurderige vrouw’ voor het eerst aangetroffen in 1899