Trui
mannelijk/vrouwelijk (de)/trœy/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) kledingstuk voor het bovenlichaam met mouwen, gemaakt van rekbaar weefsel zodat het over het hoofd kan worden aangetrokken
- warm stuk bovenkleding met lange mouwen, van wol of vergelijkbare vezelsHij trok snel een trui aan tegen de kou.
- (wielrennen) nauwsluitend sporthemd met korte mouwen en rits, gemaakt van kunstvezels; soms in bepaalde kleuren en motieven om de plaats in een rangschikking aan te geven
- (sport) sportkleding voor het bovenlichaam
- (kleding) (verouderd) broek
- alleen (f): vrouw, meisje of vrouwelijk dier
- (pejoratief), (persoon) vrouw die of meisje dat dom of onaantrekkelijk is
- (pejoratief), (persoon) vrouw die met veel mannen verkeert
- (evenhoevigen) vrouwelijk varken
Etymologie
*[3] verkorting van de eigennaam Geertrui(-da) die vermengd is met "truie" "zeug"
Vertalingen
Engelssweater, jumper
Franspull-over, chandail
DuitsPullover
Spaansjersey, suéter, pull-over
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek