tropen

/ˈtropə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aardrijkskunde, klimatologie (aardrijkskunde), (klimatologie) streken tussen beide keerkringen
    In de koloniale tijd hadden Nederland en België bezittingen in de tropen.
    De onderzoekers begonnen met gegevens van 210.000 individuele bomen, verdeeld over 110 soorten, uit verschillende klimaatzones en ecosystemen, van de tropen tot de polen, en van dichtbeboste tot open gebieden.
  2. aardrijkskunde, klimatologie, verouderd (aardrijkskunde), (klimatologie) (verouderd) beide keerkringen
    {{ouds

Etymologie

*[2], [3]: gevormd uit "τροπή" (tropè) "zonnewende", vermoedelijk naar het voorbeeld van "Tropen"

Vertalingen

Engelstropics
Franstropiques
DuitsTropen
Spaanstrópico
Italiaanstropici
Portugeestrópicos