troef
mannelijk/vrouwelijk (de)/truf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kaartspel) een kaart van een kleur die hogere waarde heeft dan andere kleurenSamen hadden zijn acht van de dertien troeven in handen.
- een verborgen voordeel
Etymologie
*via "truf" van "triomphe" dat weer teruggaat op Latijn "triumphus" "triomf, zege", maar in de 15e eeuw ook de naam van een kaartspel werd en de betekenis "troef" kreeg; cognaat met "trûf", "Trumpf", "trump"
Uitdrukkingen
- Al je troeven uitspelen/verspelen — Alles gebruiken zonder dat je daarna nog wat achter de hand hebt
- De troef inzetten — Iets gebruiken waardoor je een voordeel hebt
- Een troef achter de hand hebben — Iets wat voordeel biedt nog even bewaren voordat je het gebruikt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek