trocheus
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (letterkunde) versvoet van een beklemtoonde lettergreep, gevolgd door een onbeklemtoonde
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘versvoet (lang-kort)’ voor het eerst aangetroffen in 1734
Vertalingen
Spaanstroqueo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek