tritonshoorn
mannelijk (de)/ˈtritɔnsˌhorᵊn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (buikpotigen) buikpotig weekdier
- (muziekinstrument) de spiraalvormige schelp van voornoemd weekdier; er kan op worden geblazen om geluid voort te brengen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek