trip
mannelijk/vrouwelijk (de)/trɪp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (schoeisel) (historisch) middeleeuws schoeisel met een houten zool en een riempje over de wreef
- (schoeisel) (historisch) plankjes die men bij de turfwinning onder de voeten bond om niet in de natte bodem weg te zakken
- (paardrijden) houten plankje voor onder de hoef van een paard
tussenwerpsel
- aanduiding voor (het geluid van) heel een licht stapje
zelfstandig naamwoord
- korte reisIk maakte vóór mijn trip vaak de grap dat ik zodra mijn oudste dochter ontspoorde direct naar huis zou komen.
- ervaring opgeroepen door bedwelmende middelen (tripmiddelen)Hebben jullie ook dat wiet roken tijdens de trip echt wel je trip beïnvloedt?
Etymologie
**[2] in de betekenis van ‘tijd waarin men onder invloed van drugs is’ aangetroffen vanaf 1970
Vertalingen
Spaansexcursión, viaje
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek