Trio
onzijdig (het)/ˈtrijo/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziek) een muziekstuk voor drie spelersWe hebben een leuk triootje gespeeld vanmiddag.
- een groep van drie personen die gezamenlijk optreedtDit trio heeft grote bekendheid verworven.
- (seksualiteit) seksuele activiteit waaraan drie personen deelnemen
Etymologie
* Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘drietal (vooral in muziek)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1567
Vertalingen
Engelstrio, threesome
Franstrio, triolisme
DuitsTrio, Dreier
Spaanstrío, trío
Italiaanstrio, terzetto, triangolo
Portugeestrio
Poolstrio
Zweedstrio
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek