trijp
onzijdig (het)/trɛip/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- fluweelachtig weefsel met een opstaande pool van wol
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘velours’ voor het eerst aangetroffen in 1538
Vertalingen
Spaansfelpa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek