trekking
vrouwelijk (de)/ˈtrɛkɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het trekken van loten in een loterijOok bij de laatste trekking van de Staatsloterij won de onverbeterlijke gokker niets, zelfs geen eigengeldje.
- een onwillekeurige spiercontractieDe epilepsiepatiënt had veel last van trekkingen.
Etymologie
* van trekken
Vertalingen
Engelstic, twich
Spaanssorteo, contracción
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek