trekking

vrouwelijk (de)/ˈtrɛkɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het trekken van loten in een loterij
    Ook bij de laatste trekking van de Staatsloterij won de onverbeterlijke gokker niets, zelfs geen eigengeldje.
  2. een onwillekeurige spiercontractie
    De epilepsiepatiënt had veel last van trekkingen.

Etymologie

* van trekken

Vertalingen

Engelstic, twich
Spaanssorteo, contracción