trekkar

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een kar die door een mens wordt voortgetrokken
    Een vleugje traditioneel Marokko proef je nog in de grote souk (markt) met maar liefst twaalf ingangen, waar voornamelijk de lokale bevolking inkopen doet. Hoe dichter bij de souk, hoe drukker de activiteiten. Oude, kleine vrachtwagens meters hoog geladen met groenten; versleten fietsen opgetast met pakken muntblaadjes en trekkarren volgeladen met eieren rijden af en aan. De Telegraaf LENNO VAN DEKKEN 23 mei 2013 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/1106160/modern-in-marokko Modern in Marokko]
    Elektriciteit kunnen ze niet betalen, en daarom branden hier het hele jaar kaarsen. Riskante boel natuurlijk: vorig jaar zomer werd een deel van de krottenhoop in de as gelegd, toen in een van de kamertjes een kaars was omgevallen. Een deel van de bewoners is die klap nog niet te boven, zeggen enkele Tatalonners, en ze wijzen naar een paar ”karitons”, houten trekkarren, langs de straatkant. Ze zijn door gedupeerde gezinnen tot onderkomen gemaakt. Reformatorisch Dagblad Ab Jansen 19-12-2008 [https://www.rd.nl/vandaag/buitenland/kerst-vieren-op-de-vuilnisbelt-1.1163261 Kerst vieren op de vuilnisbelt]