trein

mannelijk (de)/trɛin/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. spoorwegen (spoorwegen) rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
    Er reizen dagelijks veel mensen met de trein.
    Toen de trein uit Southampton Waterloo Station in was gereden, had Cynth de schoorstenen van huizen aangezien voor die van fabrieken, de belofte van werk in overvloed.
  2. alles wat dient tot het vervoer van zaken die nodig zijn voor een gevechtshandeling

Etymologie

*Ontleend aan het Franse train, dat uiteindelijk teruggaat op het Latijnse werkwoord trahere ("trekken")

Uitdrukkingen

  • Het loopt als een trein.

Vertalingen

Engelstrain
Franstrain
DuitsZug
Spaanstren
Italiaanstreno
Portugeescomboio, trem
Russischпоезд
Chinees火車, 火车
Japans列車
Koreaans기차
Arabischقطار
Turkstren
Poolspociąg
Zweedståg
Deenstog