treden

/ˈtredə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) met de voeten begaan
    Zij traden op het toneel.
  2. erga (erga) ergens heen bewegen
  3. ov (ov) tegemoet treden: naar iets of iemand lopen
    Maar als ik onzeker was, bijvoorbeeld tijdens onweer of bij steile afdalingen, probeerde ik anderen op te zoeken om het onheil niet alleen tegemoet te hoeven treden.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "treden" / "terden" van Oudnederlands "tredan", in de betekenis van ‘lopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • aan het daglicht treden
  • in het huwelijk treden
  • in het klooster treden
  • in werking treden
  • met de voeten treden
  • met voeten treden

Vertalingen

Engelspace, step, stride
Spaanscaminar, dar pasos