travalje
/traˈvɑljə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (paardrijden) constructie waarin een paard kan worden vastgezet om hoefijzers vast te kunnen maken
Etymologie
*van Middelnederlands "travaelge", via "travail" teruggaand op Latijn "trepalium" "martelwerktuig dat uit drie palen bestond"
Uitdrukkingen
- halje-travalje
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek