transportfiets

mannelijk/vrouwelijk (de)/trɑnsˈpɔrtfits/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) rijwiel met een constructie waarmee vrachten vervoerd kunnen worden
    „Meestal kwam ik hem tegen met een grote transportfiets”, zegt tekenaar Rothuizen. „Die lag vol met partijen kleding die hij aan het rondbrengen was.”