transfer

mannelijk (de)/trɑnsˈfʏːr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. handeling waarbij de beschikking over iets van de een naar de ander overgaat
  2. sport (sport) overgang naar een andere club van een beroepssporter, waarbij het contract met de oude club vervroegd wordt beëindigd volgens daarvoor geldende regels
  3. toerisme (toerisme) vervoer voor gasten van een hotel van en naar een vliegveld
  4. iets dat wordt gebruikt als middel om iets anders over te brengen
  5. financieel (financieel) overmaking van geld over landsgrenzen
  6. regering (regering) (België) geldstroom van een groot deel van de staat naar een ander groot deel ervan
  7. sport (sport) (bridge) bieding in een tussen partners afgesproken kleur om de andere partner te brengen tot een bod in een andere afgesproken kleur

Etymologie

*van """, in de betekenis van ‘overdracht’ aangetroffen vanaf 1912

Vertalingen

Engelstransfer
Spaanstraslado