tram
mannelijk (de)/trɛm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verkeer) railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordtTrams rijden meestal door de straten, tussen het verkeer of op een vrije baan.
Etymologie
*van "tram", in de betekenis van ‘openbaar vervoermiddel’ aangetroffen vanaf 1884
Vertalingen
Engelstram, tramway, streetcar
Franstram, tramway
DuitsStraßenbahn
Spaanstranvía
Italiaanstram, tranvai
Russischтрамвай
Turkstramvay
Poolstramwaj
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek