trajectcontrole

mannelijk/vrouwelijk (de)/traˈjɛ(kt)kɔnˌtrɔːlə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) snelheidscontrole waarbij de tijd wordt gemeten die een voertuig nodig heeft om de afstand tussen twee punten af te leggen waaruit men aldus de gemiddelde snelheid kan afleiden