trainersvak

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. alles wat te maken heeft met het beroepsmatig trainen van sporters
    Theo Janssen: ik ga zeker verder in het trainersvak
    Veel voetballers rollen als vanzelf in het trainersvak. Heel soms knoopt een voetballer meteen na zijn carrière een stropdas om. Met wisselend succes.