trafiek

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) het transport van goederen, data, of personen
    De netwerktrafiek neemt altijd maar toe.
  2. een pre-industrieel veredelingsbedrijf, waar plantaardige of minerale grondstoffen, vaak van exotische herkomst, werden geraffineerd en/of gemengd (tot een melange)

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans: trafique