trafiek
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verkeer) het transport van goederen, data, of personenDe netwerktrafiek neemt altijd maar toe.
- een pre-industrieel veredelingsbedrijf, waar plantaardige of minerale grondstoffen, vaak van exotische herkomst, werden geraffineerd en/of gemengd (tot een melange)
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans: trafique
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek