tractor

mannelijk (de)/ˈtrɑktɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek, verkeer (techniek), (verkeer) motorvoertuig dat dient tot het voorttrekken van landbouwwerktuigen, machines enz
    Die tractor blokkeerde een tijdlang alle verkeer op de weg.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘trekker van voertuigen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1928

Vertalingen

Engelstractor
Franstracteur
DuitsSchlepper, Traktor, Trecker
Spaanstractor
Italiaanstrattore
Portugeestractor, trator
Turkstraktör
Zweedstraktor
Deenstraktor