trachea

vrouwelijk (de)/traˈxeja/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) buis voor ademhaling die bij mensen en andere warmbloedige dieren de keel met de longen verbindt
  2. ademhalingsbuisje bij insecten
  3. houtvat voor het transport van water in planten

Etymologie

*via Latijn "trachia" van τραχεια (tracheia) "luchtpijp"