tra
mannelijk/vrouwelijk (de)/tra/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een weg of opengehouden strook in een bos om bij brand, de verspreiding van ondergronds smeulend vuur te verhinderen/beperken
Etymologie
* In de betekenis van ‘brandgang in bos’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek