toverhazelaar

mannelijk (de)/ˈtovərˌhazəˌlar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) benaming voor struiken uit het geslacht
  2. bepaald soort struik, , ontstaan uit een kruising van de Japanse en de Chinese toverhazelaar, die wordt vermeerderd door haar te enten op een onderstam van de Amerikaanse toverhazelaar
  3. verouderd (verouderd) bepaald soort struik,

Etymologie

*, leenvertaling van "witch hazel"