totalitarisme
onzijdig (het)/ˌtotalitaˈrɪsmə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (politiek) stelsel waarin de gehele maatschappij ondergeschikt wordt gemaakt aan centrale beheersing vanuit de staat en één ideologie de hele samenleving tot in de diepste geledingen doordringtDe voornaamste en toonaangevende theorie van het totalitarisme is in eerste instantie die, waaraan de namen van Friedrich en Brzezinski zijn verbonden, en waarvan de eerste versie uit 1953 stamt, een tweede uit 1965 en een derde uit 1969. Volgens deze theorie kan men niet-democratische politieke systemen onderverdelen in autoritaire en totalitaire. Totalitaire staten worden dan gekenmerkt door wat de auteurs een ‘syndroom’ van zes eigenschappen noemen:1. Een officiële ideologie waarin iedereen wordt verondersteld te geloven.2. Een monopolistische partij, die gewoonlijk door één man wordt geleid.3. Een geheime politie, die vrijwel ongebreideld te werk kan gaan.4. Monopolistische beheersing van de communicatiemiddelen.5. Monopolistische beheersing van wapens en geweldsmiddelen.6. Monopolistische beheersing van alle organisaties, inclusief de economische.
- (politiek) opvatting dat de hele staat vanuit een centraal punt volgens één ideologie bestuurd moet wordenMussolini is totalitair, maar eenvoudig betrekkelijk, niet absoluut, en namelijk beperkt tot de uitsluitend politieke aangelegenheden, waarmede zich voortaan niemand meer moet bemoeien. In het aangehaald artikel legt de Duce zijn totalitarisme op deze manier uit. 'Geen Staat is meer totalitair, meer autoritair dan de fascistische. Geen houdt meer aan zijn almacht en aan zijn prestige vast. Maar juist om die reden vermijdt het Fascisme zich te mengen in zaken die buiten zijn bevoegdheid liggen. (…)'
Etymologie
*leenvertaling van "totalitarismo", een term voor het eerst gebruikt door de Italiaanse liberaal en journalist in een artikel op 12 mei 1923 in , op te vatten als afgeleid van totalitair
Vertalingen
Engelstotalitarism, totalitarianism
Spaanstotalitarismo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek