tor
mannelijk/vrouwelijk (de)/tɔr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kevers) benaming voor insecten uit de orde waarvan de vleugels gewoonlijk schuilgaan onder stevige dekbladenEr zijn nu heel veel van die torretjes.
- (straalvinnigen) een geslacht van straalvinnige vissen uit de familie van karpers ()
Etymologie
*van Middelnederlands "torre"; in de betekenis van ‘insect’ voor het eerst aangetroffen in 1437, cognaat met "tuorre" / "toarre", misschien een (klanknabootsing) van het zoemende geluid tijdens het vliegen
Vertalingen
Engelsbeetle
DuitsKäfer
Spaansescarabajo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek