toptijd

mannelijk (de)/ˈtɔptɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. snelste tijd; heel goede tijd
    De 21-jarige Baker, die bij de Olympische Spelen van 2016 zilver won op dit nummer, tikte aan na exact 58,00 seconden. Ze dook daarmee precies één tiende onder de oude mondiale toptijd, die sinds de WK van 2017 in Boedapest op naam stond van de Canadese Kylie Masse. Tubantia 29-07-18 [https://www.tubantia.nl/andere-sporten/amerikaanse-baker-zwemt-wereldrecord-rugslag~a300874c/ Amerikaanse Baker zwemt wereldrecord rugslag]
  2. periode dat iets op zijn hoogtepunt is
    Het is opmerkelijk dat een bouwbedrijf momenteel, in een toptijd, failliet gaat. De oorzaak is volgens de curator een nasleep van de crisis. "Ik denk dat het door een aantal uitlopen komt, van problemen van enkele jaren geleden", aldus Kolkman. Dat werkte door. "Er was te weinig werk en het bedrijf kon niet inkopen doordat er schulden waren bij leveranciers. Dan kun je alleen nog maar uren declareren. Dat schiet niet op." Tubantia Ferry de Goeien 28-07-18, [https://www.tubantia.nl/twenterand/bvs-bouw-uit-vriezenveen-failliet-door-vier-ton-schuld~a1451266/ BVS Bouw uit Vriezenveen failliet door vier ton schuld]