topper

mannelijk (de)/ˈtɔpər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. succesnummer
  2. sport (sport) belangrijke wedstrijd
  3. uitblinker, topfiguur
    Het Indiase Davis Cup-team was een familieaangelegenheid. De topper was Vijay Amritraj, die bij wedstrijden gesteund werd door zijn broers Anand en Ashok. Zij stonden voor een dilemma.
  4. eendvogels (eendvogels) toppereend, een vogel uit de familie van (zwanen, ganzen en eenden)
  5. korte damesmantel

Etymologie

*afgeleid van toppen